De explosie
‘Dit kan zo niet doorgaan!’ roept ze met een hoge schrille stem, terwijl ze haar koffie op tafel omver slaat met de buitenkant van haar hand. De inhoud vliegt over de tafel en spettert tegen de witte muur, waarna het milieuvriendelijke bruine plastic bekertje van de tafel op de vloerbedekking rolt en daar nog net een klein vlekje maakt.
Ik schuif precies op tijd mijn laptop aan de kant. Een spoor van bruine vloeistof ligt over de hele tafel. Met grote stappen stormt de moeder de kamer uit. Haar zoon blijft rustig zitten en kijkt mij aan. Ik zit verstijfd op mijn stoel en weet geen woord uit te brengen.
Bevroren in het moment
En nu? gaat het door mijn hoofd. Het stomme is dat ik precies weet wat mijn visie en beleid zijn, maar geen idee heb hoe ik deze mensen daarin mee kan nemen, zonder dat het uit de hand loopt. Ook mijn gedachten staan in freeze.
Niet veel later gaat de deur weer open. Haar bewegingen zijn nog steeds vluchtig en de stoom komt nog net niet uit haar oren. De moeder ijsbeert door de ruimte: ‘Ik neem hem niet meer mee naar huis.’ Om zich vervolgens naar mij te draaien met een blik van: ‘En wat ga jij hieraan doen?’
De zoon zit daar nog steeds en oogt voor mij zelfs ontspannen. Geniet hij hiervan?
Ik stamel dat ik een psychiater ga zoeken om te overleggen, pak mijn laptop en loop de kamer uit. Moeder en zoon achterlatend in de met koffie besmeurde spreekkamer. Snel loop ik naar het secretariaat. Daar krijg ik nog net de vraag uit mijn mond wie de dienstdoende psychiater is vandaag, voordat ik in tranen uitbarst.
Iedereen kan me zien
Daar sta ik dan. Huilend. En iedereen kan me zien door het glazen loket van het secretariaat. Snel draai ik mijn rug ernaartoe en veeg ik driftig de tranen weg die over mijn wangen blijven rollen.
‘Sorry, dit slaat nergens op, het gaat wel hoor.’ Ik probeer de verschrikt kijkende secretaresses gerust te stellen. Eén van hen staat op en lijkt me een knuffel te willen geven. Ik zet een klein stapje achteruit en zeg tussen mijn tranen door: ‘Laat me maar even, dit gaat zo weer over.’
Van binnen schaam ik me kapot. Moet je nou echt hierom huilen, Meij?
Een sociaal psychiatrisch verpleegkundige loopt binnen. Haar blik verbaast. ‘Gaat het wel?’ Uiteindelijk lukt het me om de tranen te stoppen en de situatie uit te leggen. Ik heb helemaal geen psychiater nodig om te overleggen, want ik weet prima zelf wat er nodig is. ‘Zal ik bij het gesprek komen zitten?’ vraagt ze me. Maar dat wimpel ik gauw af. Dat huilen is al erg genoeg.
‘Kun je zien dat ik gehuild heb?’ De secretaresse schudt haar hoofd. Ik hoop maar dat ze gelijk heeft. Met een wankel gevoel draai ik me om en loop, zonder een psychiater gesproken te hebben, terug naar de spreekkamer.
Toch omdraaien
Halverwege de lange gang stop ik, ik draai me om en loop terug. Zachtjes klop ik aan bij het kantoor van mijn collega. ‘Misschien vind ik het toch wel fijn als je aansluit.’ Ze staat meteen op.
Snel spreken we onze strategie door. Zij zal verkondigen dat we hem niet op gaan nemen in de kliniek, zodat ik wat uit de wind kan blijven. Ik ga met deze moeder bespreken dat ze boos mag zijn, maar dat er ook grenzen zijn aan hoe zij met mij omgaat.
Niet meer alleen
Het gesprek daarna loopt verrassend goed. Met mijn collega naast mij voel ik weer ruimte, waardoor mijn gedachten ontdooiden en ik mijn woorden weer vind. Ik herhaal vol vertrouwen mijn boodschap en de moeder gaat weer rustig zitten, waardoor de situatie voor ons allemaal veiliger is.
Vanaf dat moment werkten de moeder en ik fijn samen en heb ik me nooit meer onveilig gevoeld bij haar. Helaas veranderde het weinig aan de klachten van haar zoon. Hij was nog niet toe aan hulp, daar kon ik helaas niets aan veranderen.
Had ik dit alleen moeten doen?
Naderhand kan ik niet voorkomen dat er één vraag in mijn hoofd opkomt: had ik dit echt niet alleen gekund?
Deze vraag ken ik inmiddels maar al te goed. Het is de stem die vindt dat ik het moet kunnen. Dat ik sterk moet zijn. Ik ben toch immers de professional?
Achteraf gezien denk ik ja, ik had dit alleen gekund. Maar een belangrijkere vraag is: waarom zou ik?
Het is een opluchting. Dat ‘samen’ geen zwaktebod is.
Die dag deed ik iets anders, iets wat ik al jarenlang moeilijk vond. Ik vroeg om hulp. En ja, strenge stem in mijn hoofd, daar ben ik trots op.







