Op de teamkamer
Ik loop onze teamkamer binnen en zie een collega die druk haar slapen masseert, terwijl ze fronsend naar haar computerscherm staart. Ze is net afgestudeerd en werkt sinds een aantal maanden bij mij in het team.
‘Hoofdpijn?’ vraag ik.
Ze knikt. ‘Heb ik wel vaker,’ geeft ze aan. ‘Ik heb nog niet ontdekt wat ik moet doen om zonder hoofdpijn thuis te komen, maar ik ben er druk mee bezig in mijn werkbegeleiding.’
Ik herken het van mijn eigen begintijd en biedt haar aspirine aan, die ze dankbaar aanneemt. ‘Goed dat je ermee bezig bent. Met hoofdpijn is dit werk niet vol te houden.’
Thuis met hoofdpijn
Een paar dagen later kom ik zelf met hoofdpijn thuis. Mijn dochter springt in mijn armen. Ze is de hele middag al alleen thuis en verveelt zich stierlijk. Ze kletst aan één stuk door terwijl mijn hoofd bonst en gonst.
Ik irriteer me mateloos. Ik voel haar behoefte aan aandacht en die kan ik haar niet geven. Even later gaat ze op error: ‘Jij moet mij nú helpen mama!’ Als ik niet reageer, stormt ze huilend naar boven. De muur trilt van de gangdeur die ze achter zich dicht smijt.
Ik bijt op mijn tanden en tik stoïcijns door op mijn laptop. Stug knijp ik mijn ogen samen om het licht van het beeldscherm te verdragen.
Het gesprek waar ik tegenop zag
Terwijl mijn hoofd klopt, dwaal ik af naar het gesprek van vanmiddag. Ik hikte er de hele dag al tegenaan: een evaluatiegesprek met een jongere, zijn moeder en zijn woonbegeleiders.
Op de rand van falen
Met lood in mijn schoenen reed ik die middag naar zijn woning. In mijn hoofd voorspelde ik wat moeder en zoon zouden gaan zeggen en ik repeteerde mijn antwoorden. Wat kan ik zeggen en hoe kies ik mijn woorden? Nadat ik mijn auto uitstapte, bleef het zweet van mijn klamme handen achter op het stuur.
Mijn collega begroette me op de parkeerplaats en samen gingen we naar binnen. Ik drukte mijn rug tegen de leuning en legde mijn handen open in mijn schoot. Je gaat door de mand vallen, klonk het in mijn gedachten.
De jongeman vertelde dat hij slecht in zijn vel zat, tot niets meer kwam en dat zijn therapie onvoldoende hielp. Hij wist niet wat zijn doel was en hij voelde geen klik met zijn therapeut.
Ondanks dat ik dit al wist, sloeg mijn hart toch een slag over. Moeder deed daar nog een schepje bovenop. Het is noodzakelijk dat haar zoon therapie krijgt, dus wat gaan wij daaraan doen?
Ik wisselde een blik met mijn collega. Zij knikte me bemoedigend toe. Ik pakte de foto erbij van de trap die ik samen met hem had getekend. Ik herhaalde dat hij meteen bovenaan wilde staan en dat dat niet kan zonder de trap op te lopen.
Stap één is dat hij zijn gevoelens leert herkennen en accepteert dat ze er zijn. Hij vindt dat lastig omdat hij zich schaamt. Ook legde ik uit dat wanneer hij niet thuis is, we geen stap op de trede kunnen zetten.
Tranen sprongen in zijn ogen en hij vroeg om een time-out. Hij vluchtte naar de gang en trok zijn moeder mee.
In de tussentijd dronken wij onze thee. De sfeer was ongemakkelijk. Ik keek naar zijn woonbegeleiders, maar kon hun gezicht niet lezen. Zagen zij ook het patroon of vonden ze mij een slechte hulpverlener?
Ongeveer vijf minuten later kwam de jongeman weer binnen, met zijn moeder achter hem aan. Toen ik hem vroeg of hij iets wilde delen, nam zijn moeder het woord. ‘We hebben al een aantal keren aangegeven dat hij geen klik voelt met jou.’ Daarna bleef ze stil en keek me afwachtend aan. Opnieuw keek ik naar mijn collega. Zij zei niets.
De opmerking ‘dit heeft niks met klik te maken, hij kan de confrontatie gewoon niet aan’ die op het puntje van mijn tong lag, slik ik gauw in. Ik hield bewust mijn stem zacht en vertelde over de gesprekken die ik met haar zoon hierover gehad heb. Hij vindt mij aardig, maar het lukt hem niet om te praten over zijn gevoelens.
Ik zie een patroon: een jongeman die zegt therapie te willen, maar de diepgang die daarvoor nodig is vermijdt. Zijn schaamte is nog te groot.
Dan verschuift er iets
Bij het woord schaamte keek de jongen op. Zijn schouders zakten en hij knikte heel lichtjes.
Vanaf dat moment veranderde er iets in het gesprek. We kwamen samen tot een goed vervolgplan, waarbij we therapie even uitstellen.
Op de parkeerplaats voelde ik de eerste signalen dat er hoofdpijn op kwam zetten. Mijn collega zei net voordat ze de auto in stapte: ‘Jij bent zo rustig en duidelijk. Dit had je niet beter kunnen doen.’
Wat van mij is en wat niet
Ik was verbaasd over dat compliment. Ik voelde me even opgelucht, maar de hoofdpijn bleef. De hele dag was mijn ‘impostergevoel’ al aanwezig. Ik kreeg niet uit mijn hoofd dat ik faalde omdat ik hem niet kon helpen.
Thuis achter mijn laptop herken ik mijn hoge eisen en mijn verantwoordelijkheidsgevoel. Ik stel mezelf gerust. Stop, dit is niet alleen van mij. Dit hoort ook bij hem, bij zijn moeder en bij het proces dat we samen doorlopen.
Inmiddels is mijn irritatie gezakt en loop ik naar de slaapkamer van mijn dochter. Ik heb iets goed te maken.
Ik weet dat hoofdpijn voor mij geen klacht is, maar een signaal dat ik me verantwoordelijk voel voor iets dat niet alleen van mij is.







