Hoe houd je je mond tegen ouders, als je weet dat hun kind erover nadenkt zijn leven te beëindigen? In mijn werk heb ik geheimhoudingsplicht. Ik mag niet zomaar iets doorvertellen. Zelfs niet tegen hun ouders.
Vanaf zestien jaar hebben jongeren recht op hun eigen privacy. Zij bepalen wie informatie over hen krijgt. Ik mag mijn geheimhoudingsplicht alleen doorbreken als een jongere niet als wilsbekwaam ingeschat wordt of als er zeer duidelijke signalen zijn dat iemands veiligheid in gevaar is. Als ik dat niet goed kan uitleggen, kom ik als psycholoog in de problemen. In het ergste geval kom ik voor het tuchtrecht.
En juist bij suïcidale gedachten wordt mijn plicht een worsteling.
Wanneer een jongere suïcidale gedachten uit
Zo was ik gisteren bij een jongere thuis. Een jongeman van begin twintig, die bij zijn ouders thuis woont. Hij vertelde mij dat hij alle hoop was verloren en geen vertrouwen had dat zijn leven ooit nog beter zou worden.
Ik weet van hem dat hij al lange tijd regelmatig gedachten heeft aan de dood. Toen ik hem vroeg of zijn gedachten toegenomen waren en of hij plannen had gemaakt, antwoordde hij dat hij hoopt er snel niet meer te zijn.
Hij sprak niet over een concreet plan dat hij aan het voorbereiden was of een datum waarop hij zou gaan sterven. ‘Als ik zelfmoord pleeg, zal dat impulsief zijn,’ zei hij. Later in het gesprek laat hij voorzichtig doorschemeren dat hij nog niet zover is.
Wat kun je doen?
Ik maak me zorgen om hem. Voor mij is het duidelijk dat het slechter gaat. Hij heeft geen vrienden of contact met familie en is boos op zijn ouders. Ik weet dat er niemand is door wie hij zich gesteund voelt. Ook niet door mij. Hij laat me niet toe.
Ik wil dat hij open is. Echt vertelt wat er in hem omgaat. De radartjes in mijn brein werken op volle toeren. Hoe kan ik zijn vertrouwen winnen?
‘Hij heeft niemand nodig’, zegt hij. ‘Het helpt toch niet.’ Ik voel dat hij boos is. Boos op de hele wereld. Hoe harder hij roept dat het hem niets kan schelen, hoe eenzamer hij op mij overkomt.
Ik onderzoek met hem hoe deze dag iets dragelijker kan worden. Door iets te gaan doen of met iemand af te spreken.
Ook bied ik hem aan om de volgende dag weer langs te komen. Niet als oplossing voor zijn problemen, maar om te luisteren en te kijken hoe hij die dag weer doorkomt. Kleine stapjes zijn op deze momenten belangrijk, omdat grote stappen overweldigend voelen als je zo in de put zit. Ook wil ik eerlijk naar hem zijn, want zijn klachten zijn niet zomaar over.
Als hij dit niet wil, vraag ik of hij met de psychiater wil spreken of een paar nachten naar een kliniek om even uit het huis van zijn ouders te zijn. Maar hij wil helemaal niets en voor mijn eigen gemoedsrust, verlaat ik zijn huis met de boodschap dat ik hem toch morgen even bel.
De impact van suïcidaliteit op hulpverleners
Ik overleg met de psychiater en die bevestigt wat ik al denk. Omdat er geen acuut gevaar is blijft mijn geheimhoudingsplicht van kracht. Ondanks onze zorgen hebben we niet genoeg argumenten om hem (tegen zijn wil in) te verplichten tot een gesprek of een opname. Hoe spannend ik dit ook vind, ik moet naar huis en het duurt lang voordat ik die avond in slaap val.
De volgende dag bel ik hem op, het zweet staat in mijn handpalmen. Zou hij opnemen? Is hij nog in leven? Zijn telefoon gaat meteen naar voicemail. Misschien is het te vroeg en is hij nog niet wakker, maar ik krijg die dag geen reactie. Ook niet op berichtjes.
De hele dag gaan mijn gedachten naar deze jongen. Ik probeer mezelf ervan te overtuigen dat de reden dat hij niet reageert niet is omdat hij niet meer leeft. Hij heeft me duidelijk aangegeven geen hulp te willen, dus het is begrijpelijk dat hij niet reageert. Ook heb ik nog niets van zijn ouders gehoord. Gelukkig of toch niet? Ik probeer de gedachte dat je, als je je zoon dood vindt, je natuurlijk niet meteen de GGZ belt, in mijn achterhoofd hardnekkig weg te drukken.
Ik kan me niet meer concentreren op mijn werk. Praten met collega’s helpt niet. Mijn zorgen lopen zover op, dat ik opnieuw naar de psychiater ga. Samen bekijken we tot waar mijn verantwoordelijkheid loopt en wat ik doe als ik niet in contact blijf met hem. Uiteindelijk bel ik aan het einde van de dag toch zijn ouders en vraag hen om even bij hem te gaan kijken. Het enige wat ik kan zeggen is dat ik me zorgen maak en geen contact krijg met hun zoon.
Zijn moeder belt me niet terug. Weer ga ik bezorgd naar huis. Thuis vertel ik niets, mijn vriend kan er toch niets aan doen en er volgt een nacht met hazenslaapjes. Ik ben de dag erna vroeger op mijn werk dan normaal. Mijn hart bonst in mijn borstkas als ik mijn e-mail open. Oef, daarin is geen slecht nieuws te vinden. Pas in de middag belt zijn moeder mij terug. Gelukkig, hij leeft nog.
Geheimhoudingsplicht: een dunne lijn
Bijna wekelijks hoor ik over gedachten aan de dood. Als iemand vertelt dat hij liever dood wil zijn, dan schrik ik daar altijd van. Deze uitspraken wennen niet en dat is maar goed ook. Met mijn collega’s maken we een inschatting. Wanneer grijpen we in en wanneer niet? Het is een dunne lijn.
Deze jongeman voelt niet dat hij invloed heeft op zijn leven. De stap om iets te veranderen is nog te groot. Voor nu kan ik niet meer doen dan contact houden. Hoe graag ik ook anders zou willen.
Soms is er geen oplossing, alleen nabijheid. Dat blijft moeilijk, maar ook dat is mijn taak.
Dit onderwerp vraagt om zorgvuldigheid en gesprek. Herken je deze worsteling? Ik lees je reactie graag via mijn contactpagina Nieuwsgierig.







